Door: Mathieu Clemens,  1 augustus 2016
Mijn moeder


Haar naam was Maria Elisabeth Hüren, geboren in 1892 in Maasbracht, van Duitse ouders, zij had nog een zus en drie broers. Haar ouders, dus mijn grootouders, hadden een schip en voeren in hun jonge jaren op de Rijn. Later zijn ze gaan wonen in Rheydt, Möndchengladbach waar ze in de paardenhandel verzeilden. Het bedrijf floreerde zodanig dat er een grote hof, boerderij, en zelfs een straat naar hun vernoemd werd, welke namen nu nog terug te vinden zijn onder de naam: Der Hürenhof en Die Hürenstraße. Toen mijn moeder vijf jaar was, in 1897, stierf haar moeder bij de geboorte van het zesde kind, dit kind overleefde ook niet en stierf ongeveer een maand later. Mijn opa bleef met vijf kinderen achter, maar hertrouwde veertien maanden later met Elisabeth Clemens.

Mijn opa en zijn tweede vrouw verkochten alles en verhuisden naar het kleine dorpje Voerendaal, in Zuid Limburg, waar men na geneutraliseerd te zijn tot Nederlander (ze hadden beide de Duitse nationaliteit), verder ging in de paardenhandel. Zij kochten het grote boerderijhuis met weilanden en stallen in de Pontstraat in Kunrade, nu bekend als het Boumanshuis.
Maar hier in Nederland was het niet veel beter, het was kort voor de eerste wereldoorlog. De drie broers van mijn moeder trokken uit huis en gingen op de boot voor zes jaren naar Nederlands Oost Indië als kolonialen bij het leger, bij de KNIL.
De broers hadden een beetje school gehad en konden lezen en schrijven, maar mijn moeder en haar zus Anna hadden dat als meisjes niet nodig, vond men en ze mochten niet naar school, dat was alleen voor rijke mensen..., zij moesten werken en hoe!!.
Mijn grootouders hadden buiten de paarden heel veel kippen, dus elke dag ook heel veel eieren. Twee keer per week moest mijn moeder en haar zus met twee armkorven gevuld met eieren te voet naar de grote markt in Aken om deze eieren te verkopen en ze mochten niet eerder terug komen dan nadat alle eieren verkocht waren. Het was voor hun als jonge meisjes een heel zwaar leven.
Haar zus leerde een vriend kennen en vertrok zonder een adres achter te laten naar Brabant, zoals we later hoorden naar Helmond. Mijn moeder leerde een vriend kennen, Theodorus Verspaget waar ze later ook mee trouwde.
De tweede vrouw van mijn grootvader overleed in 1911 in Voerendaal. Mijn grootvader huwde voor de derde keer met Mechtilda Thissen. Mogelijk was zij de weduwe van Theodor Karl Hüren, de schoonvader van Peter Mathijs Hüren zijn oudste zoon. (Waren mijn opa en Theodor Karl verwant aan elkaar?)
Inmiddels ging het bij mijn grootvader en zijn derde vrouw ook niet van een leien dakje, alles werd verkocht en men verhuisde naar Eindhoven waar ze tot hun dood hebben geleefd en waar ze ook zijn begraven.

Mijn moeder en haar eerste man woonden in een van de drie houten huizen aan de Bergseweg waar later de kalkovens van Schunck kwamen. Het huis van moeder werd daar toen afgebroken en opnieuw opgebouwd op de hoek van de Pontstraat-Bergseweg. Het stukje grond waarop het huis werd gebouwd was met tussenkomst van Leo Moulen aangekocht. De eigenaar wilde het eerst niet verkopen, maar Leo wist hem om te praten.

De eerste wereldoorlog was in alle hevigheid uitgebroken en in België werd zwaar gevochten. Nederland bleef neutraal, maar de grenzen moesten wel bewaakt worden. Zo werden de mannen opgeroepen om de grenzen, in loopgraven te bewaken tegen de Duitse opmars, zo ook Theodorus Verspaget de eerste man van mijn moeder met wie ze hoopte een onbezorgd leven te leiden, een eigen huisje en een gezinnetje. Dat gezinnetje kwam er, drie meisjes werden er geboren, maar er waren ook zorgen. Het waren niet zo'n beste tijden en het soldij van de militairen was nou niet om over te roemen.
Veel militairen werden ziek van kou en ontberingen, ook de man van mijn moeder. Die ziekte bleef hij nog lang na de oorlog met zich meeslepen. Terwijl de opgroeiende kinderen meehielpen in het huishouden, ging moeder voor een schamel loontje bij andere mensen wassen en strijken. Ook werkte ze enkele uren per week in het melkfabriekje. Het jongste dochtertje Emma, amper twee jaar, nam ze dan mee en het meisje speelde dan in haar buurt , alle kleine beetjes hielpen mee om het hoofd boven water te houden.
Emma overleed door een noodlottig ongeval op tweejarige leeftijd (zie ook het "Melkfabriekje in Kunrade" red.). Moeder trok zich dit heel erg aan en voelde zich schuldig en besloot om niet meer te gaan werken, maar thuis te blijven om voor haar twee andere kinderen te kunnen zorgen, maar ze kon ook de centjes niet missen. Het werden en waren geen gemakkelijke tijden.
De ziekte van de vader Theo Verspaget nam ernstige vormen aan en in 1925 overleed hij aan de gevolgen.
Samen met haar twee kinderen bezocht ze wekelijks de twee graven op het kerkhof van Voerendaal.
Haar inkomen was te weinig om haar en haar twee dochters een normaal leven te bieden. Op een morgen trok ze de stoute schoenen aan en stapte naar het gemeentehuis voor een gesprek met de burgemeester. Ze vertelde dat ze niet rond kwam met haar paar gulden die ze kreeg van het armenbestuur en dat ze niet meer durfde te gaan werken om wat meer te hebben. Echter de burgemeester was onvermurwbaar hard. Moeder was een mooie vrouw met mooi zwart lang haar, hij bekeek haar van onder tot boven en zei: "kijk, zo'n statige vrouw als jij bent, die kan toch zeker nog wel een vent mee krijgen die voor haar zorgt?!!" Geslagen ging moeder huiswaarts, dit had ze niet verwacht.
In het jaar 1926 kwam er toch een verandering, moeder leerde een man kennen die bij boer Pieters in Winthagen in de kost was en als ondergronds mijnwerker werkte op de staatsmijn Wilhelmina in Terwinselen. Deze man, geboren in Sittard, ging als scheepsjongen van ongeveer 14 jaar varen op de Zuiderzee bij de Groningse rederij Sipkema en werd in 1920 als dienstplichtig militair in Limburg gelegerd. Na zijn diensttijd keerde hij niet meer terug en bleef in Limburg en vond werk in de mijn. Mijn moeder vond hem wel aardig en het loon van de mijn trok haar ook wel aan, want dan zou ze wel wat ruimer kunnen leven. Na goed overleg zijn ze in 1927 getrouwd en in Oktober 1928 ben ik geboren, als zoon van Maria Hüren en Willem Clemens. Moeder is na een toch wel zwaar leven in 1956 overleden en begraven op het katholieke kerkhof hier in Voerendaal. De twee overgebleven zussen van mij uit het eerste huwelijk van moeder zijn inmiddels ook overleden, maar daar heb ik altijd een goed contact mee gehad. Het begrip halfbroer of halfzus kenden wij niet.
Mijn moeder was een echte moeder en oma voor ons en voor de kleinkinderen, een moeder om nooit te vergeten zij is dan ook voor ons begrip veel te vroeg en te jong overleden.
Denkend aan haar weet ik zeker dat ik haar nog veel had kunnen vragen en van haar wijsheid nog veel had kunnen leren, het heeft niet zo mogen zijn.
Dit verhaal is voor mijn kinderen en ieder die mijn moeder goed gekend hebben.
Na het overlijden van mijn moeder heeft mijn vader nog enkele jaren in ons houten huis gewoond. Daarna is het afgebroken en is vader verhuist naar de Tenelenweg in Voerendaal, waar ook hij in 1980 overleed.

Mathieu Clemens, 18 februari 2016.

Reageer
    Reactie van: J.H.G. Linssen: 10-9-2016
    hallo redactie; ik heb nog een verrassende aanvulling voor bij het stuk van Wilhelm Jozef Hüren, ik vond een oude foto van het graf met grafsteen van Wilhelm Jozef Hüren in mijn archief, ik wil deze graag aan jullie verstrekken met als aanvulling (uit archief J.H.G. Linssen Wijnadsrade). Wilhelm overleed in het ziekenhuis te Eindhoven en is ook in Eindhoven begraven. ( red. zie foto rechterkolom) Reageer





Stamboom familie Hüren


Opa Willem Jozef Hüren
geboren op 18 maart 1855 te Kempen Duitsland.
Binnenvaartschipper en later paardenkoopman.
Hij huwde drie keer. Zijn eerste vrouw was Gertrudis Janssen, zij was ook de moeder van mijn moeder. Samen met Gertrudis Janssen kreeg Willem Jozef Hüren zes kinderen. Het laatste kind werd zijn eerste vrouw fataal en zowel moeder als kind stierven kort na de bevalling. Mijn moeder was toen vijf jaar oud.

Een jaar na haar overlijden hertrouwde mijn opa met Elisabeth Clemens, zij was de dochter van Johan Clemens en Sibilla Lammertz. Mijn vader Willem Joseph Clemens was de zoon van Lizette Clemens. Hieruit kunnen we afleiden dat de vader of onbekend is of het kind niet heeft erkend. In hoeverre Lizette verwant is aan Elisabeth Clemens is niet duidelijk. Elisabeth Clemens overleed op 22 januari 1911 op 53 jarige leeftijd te Voerendaal.

Daarna huwde mijn opa Willem Joseph Hüren voor de derde keer met Mechtilda Tissen. Deze Mechtilda Tissen is geen onbekende in de familie zoals later blijkt.
De oudste zoon van Willem Jozef Hüren, Peter Mathijs stapt in een tweede huwelijk met, (mogelijk zijn nicht) Maria Catharina Hüren. Zij is de dochter van Theodor Karl Hüren en .... Mechtildis Thissen.
Dus het is heel goed mogelijk dat Willem Jozef in zijn derde huwelijk met zijn schoonzusje trouwde of met de vrouw van zijn neef.

Ook het tweede huwelijk van Willem Jozef kan een familietrekje hebben.
De overgrootvader van Mathieu Clemens, Heinrich Clemens is geboren in Rheidt dezelfde plaats in Duitsland waar ook de familie Hüren zich ophield. Zijn vrouw Margaretha Müller is geboren in Worringen in Duitsland. Rheidt ligt ten zuiden en Worringen ten Noorden van Keulen, hemelsbreed 32 km van elkaar. Het is goed mogelijk dat ze elkaar in Keulen hebben leren kennen. Ze huwen echter in 1908 in Voerendaal.




Grafmonument van Wilhelm Jozef Hüren
(foto van Jos Linssen Wijnandsrade)

Het Freuleshoes

De oudste dochter van Maria Elisabeth Hüren en Theodorus Verspaget was Frieda Verspaget. Frieda huwde met Peter Neukirchen en samen gingen ze wonen op het Kerkplein 57 in Voerendaal in het pand dat bekend staat als het Freuleshoes. Frieda was de laatste bewoner van het freuleshoes en overleed in 2006. Sindsdien staat het pand te koop.
Het freuleshoes is het oudste woonhuis in de dorpskern van Voerendaal.
( lees ook het verhaal "Het freuleshoes" op deze website)