Door: Wim Reubsaet,  zaterdag 11 januari 2014
Mijn vroegste herinneringen

Het Voerendaal uit mijn jeugd, de vroegste herinneringen die ik aan mijn dorp heb. De Panhuisstraat met het zwarte pad aan de achterkant maar ook aan de achterkant van het Laurentiusplein. Al het verkeer, dat wil zeggen voetgangers, fietsers en bromfietsers gingen over dit met mijnsteen verharde zwarte pad. Het pad begon aan de achterzijde bij Kapper Maessen die op Laurentiusplein 2 zijn zaak had en eindigde op de Tenelenweg. Via dit pad kon ik naar mijn opa en oma die aan het Laurentiusplein woonde, maar ook naar mijn oom en tante die ook in de Panhuisstraat woonde.
Halverwege dit zwarte pad was er een aftakking naar het Laurentiusplein. Op de hoek daarvan was de groenteboer Eussen. Mevrouw Eussen stond in haar groentewinkeltje dat niet groter was dan 3 bij 3 meter. Een toonbank met weegschaal en achter haar een stellage met kratten vol groente, fruit en aardappelen. In een hoekje van de winkel stonden nog twee houten kratten Exota limonade in slanke beugelflessen. Een krat met gele priklimonade en een krat met rode priklimonade. Als kind zeurde je altijd om zo'n fles limonade, maar zelden werd een fles gekocht.

In onze straat woonde alleen maar mijnwerkers, als je geen mijnwerker was kreeg je hier ook geen woning. Iedereen kende iedereen, de achterdeuren waren zelden op slot. Naast ons woonde op nummer 45 familie Klinkenberg met hun twee kinderen Ferry en Agnes. Aan de andere kant op nummer 41 woonde familie Krutzen met hun drie dochters Lies, Lenie en Philo. Ook hadden zij nog een oma in huis wonen. Oma Krutzen nam op de woensdag- of zaterdagmiddag, als de kinderen vrij waren van school, de hele meute mee uit wandelen. Ze ging altijd naar de rand van het Haerenbos, nam plaats op een bankje of omgevallen boomstam en liet de kinderen de vrije hand. Op die plek zag het bos geel van de sleutelbloemen en ieder kind plukte daar een bosje van voor thuis in de vaas (voor je thuis was waren ze alweer verlept). Ook mijn oom Wiel ging graag wandelen en nam dan ook enkele kinderen mee. Hij liep vaak dezelfde route langs het Haerenpark. Aan de ene kant het bos en aan de andere kant tot aan de spooordijk een weiland waar koeien liepen (dit is nu ook bos). Zijn vaste vraag was altijd; "En Wim, wat doen de koeien met de staart?". Aan het einde van het pad kon je naar links, langs een slagboom bestaande uit een boomstam die tussen twee palen scharnierde, naar kasteel Haeren. Wij gingen rechtsaf naar een tunneltje onder het spoor door. Aan de andere kant van de spoordijk stond links een groen houten gebouwtje. Mogelijk was dit een pompstation voor drinkwater, als je met je handen langs het hout ging had je je handen vol splinters. Langs de spoordijk liepen we dan verder totdat we bij een soort duiker kwamen. Een afwateringstunneltje waar je als kind licht gebukt door kon lopen en je aan de andere kant van de spoordijk weer uit kwam. In mijn herinnering stond dit ding altijd droog. Later ben ik daar nog wel eens terug geweest en kan me dan nauwelijks voorstellen dat ik daar doorheen ben gelopen. Aan de andere kant van de spoordijk liepen we dan verder tot we aan de rijksweg kwamen, de weg van Heerlen naar Maastricht. We staken daar nog niet over maar liepen weer richting Voerendaal tot we bij een buis onder de rijksweg door aankwamen. De meeste kinderen staken samen met oom Wiel over en een enkele durfal kroop door de buis naar de andere kant van de weg. Verder ging het een veldweg op richting Ransdalerveld. Een stuk verderop gingen we van de veldweg af en klommen omhoog om uiteindelijk op het gras tussen twee grote bomen te gaan zitten. Van hieruit had je een mooi uitzicht op het verkeer dat van Heerlen naar Maastricht en visa versa reed. Iemand had je wijs gemaakt dat rode auto's geluk brachten als je met je natte duim in je handpalm drukte en daarna in je handen klapte. Na een tijd gingen we weer huiswaarts langs het kapelletje de Tenelenweg af terug naar de Panhuisstraat.

Midden vijftiger jaren begon voor ons in Voerendaal het televisietijdperk. Nog maar weinig mensen kochten zo'n apparaat. Wie er een in huis had kon je goed zien aan de antenne die op het dak stond. In de Panhuisstraat waren dat onze naaste buren Krutzen en mijn tante Annie. Om vijf uur was er op de televisie altijd "kinderuurtje". Wij gingen altijd bij tante Annie kijken en zaten dan op de grond met het hoofd in de nek te kijken naar spannende avonturen van Dappere Dodo, een poppenspel en later Pipo de clown en dat alles in zwart-wit. Mijn ouders keken altijd televisie bij de buren. Willi Milowitsch was een van de vaste programma's die ze keken. Wij als kinderen waren daar ook altijd bij net zoals bij een vervolgserie op de Duitse TV; "So weit die fe tragen". Dit ging over een ontsnapte gevangen uit een Siberisch strafkamp. Dat dit alles in zwart-wit was maakte voor die serie niet uit. Veel later heb ik deze film nog een keer terug gezien, een remake in kleur. Deze had ook net zo goed in zwart-wit mogen zijn, sneeuw, ijs en donkere bossen. Als kind begreep ik niks van die serie. Mijn enige indrukken waren wel juist, kou en ellende.

Het was in het tijdperk dat gas nog geen gemeengoed was. Verwarmen en koken deed je op een kolenfornuis. Buiten stond de kolenbak, een gemetselde bak met een groen klapdeksel. Hieruit schepte men de kolen in een kolenkit en daarmee werd weer het fornuis gevuld. Naast eierkolen, geperste koolstof met het stempel "ON" (Oranje Nassaumijnen) erin, was er ook nog antraciet. Deze werd meer gebruikt voor de haard in de goeie kamer. Een kamer die zelden werd gebruikt. Daarnaast was er ook nog het goedkopere "slam". Een product dat onstond door het wassen van de kolen in de mijn en dat in grote slikvijvers werd opgevangen en daar door verdamping indikte. Men leefde in de keuken een ruimte van zes bij twee drie meter, waar aan de ene kant het aanrecht was en aan de andere kant een tafel met stoelen onder het enige raam. Midden in de woonkeuken stond dan heel prominent het kolenfornuis. Vanuit dit fornuis ging een kachelpijp omhoog tot vlak onder het plafond waar de buis dan aansloot op de schoorsteen. Soms was de kachel zo heet gestookt dat de buis letterlijk roodgloeiend werd. Een beetje fornuis had ook een oven om te bakken, hierin legde we wel eens ballen van klei die daarna keihard waren. Bovenop het fornuis waren twee gaten die met meerdere, steeds kleiner wordende, in elkaar passende ringen en een deksel werd afgesloten. De meerdere formaten ringen waren bedoeld om ook meerdere formaten ketels op het fornuis te kunnen zetten zonder dat deze in het fornuis verdwenen. Kolen en slam werden geleverd door de kolenboer. Bij ons in het dorp waren er twee. Erven en Ettema. Wij betrokken de kolen altijd van Charel Erven die aan het Laurentiusplein in een hoekhuis woonde en naast zijn woning de voorrraad kolen had liggen. Kolen werden in jute zakken gedaan en per mud verkocht. Ze werden betaald met bonnen die de mijnwerkers van hun werk kregen als loon in natura. Charel Erven bezorgde zijn kolen met paard en wagen. Veel later nam zijn zoon Frans het bedrijf over. Frans ging met zijn tijd mee en schafte zich een blauwe Opel Blitz aan. Ook Ettema die op de Spekhouwerstraat zijn bedrijf had bediende zich met een vrachtauto. Naast kolentransport gebruikte hij deze wagen ook om de vuilnis bij de mensen in Voerendaal op te halen en naar het stort te brengen. Het stort was een braakliggend stuk grond aan het einde van de Panhuisstraat, een destijds doodlopende straat, waar wij als kind vaker rondhingen. Nu staan er op dit stuk grond de huizen met nummers 3 t/m 9

Voor zowel Charel Erven maar ook voor Ettema braken er slechte tijden aan doordat mensen werden aangesloten op gas. De mijnen produceerde gas uit steenkool dat in de huizen werd geleverd via een leidingenstelsel. Ieder huishouden kreeg een groen tweepitsgasstel in bruikleen. Voor de huismoeders was dat een hele vooruitgang hoewel de meerderheid naast het gasstel ook nog het kolenfornuis bleef gebruiken. Op maandag was het wasdag vroeger werden de ketels water op het kolenfornuis gekookt. Nu met het gas hadden de huisvrouwen een grote losse gaspit die op de grond werd gezet met een lange slang naar de gaskraan. Ze konden dan een grote zinken ketel op die pit aan de kook brengen. Als vijf jarig jochie ben ik in de wasketel gevallen en met brandwonden naar het ziekenhuis gebracht. Gelukkig was mijn vader thuis die mij direct uit de ketel viste en met koud water en koude natte handdoeken afkoelde zodat de schade beperkt bleef. Wel heb ik daar enkele weken mee in het ziekenhuis gelegen maar er gelukkig niets aan over gehouden.

Reageer



Koale kachel in de goei kamer.


Regelmatig "poken" om het vuur weer lucht te geven


Poppenserie Dappere Dodo.


Dappere Dodo met links zijn vriendje Kees.


Straatbeeld 50- en 60'er jaren vorige eeuw.


Elk huis zijn eigen antenne.


Koale fornuis


Hierop werd de dagelijkse pot gekookt.


Koaleboer


Zwaar werk en slecht voor de rug.