Verzet in Voerendaal


In Voerendaal tegen de zuidkant van de kerkmuur staat een monument voor omgekomen inwoners van Voerendaal, slachtoffers van oorlogsgeweld. Verdeelt in verzetsstrijders en militairen. Kerkgangers liepen en lopen er dagelijks langs. Sommige weten nog wie deze mensen waren, anderen vragen zich misschien af wie het waren. Het grootste deel van de kerkgangers loopt er langs en vraagt zich niets af.
Voerendaal vertelt probeert deze verzetsstrijders een gezicht te geven, wie waren het, wat hebben ze gedaan en hoe zijn ze aan hun einde gekomen?

Naar hen die vielen voor het vaderland,
J. Linderlauf, P. Geraedts en F. Offermans is geen verder onderzoek gedaan. Dit stuk beperkt zich tot de drie verzetsmensen uit Voerendaal.

Het monument
Het verzetsmonument in Voerendaal is een keramisch reliëf van St.Joris in maliënkolder met op zijn linkerhand een vredesduif en in zijn rechterhand een houten kruis dat tevens dient als vlaggenmast voor de Nederlandse vlag die achter de beeltenis van St. Joris door links weer zichtbaar wordt. Aan de voeten van de strijder ligt een verslagen draak. Onder het reliëf is een roze natuurstenen plaquette aangebracht. Het reliëf is circa 3 meter 50 hoog en 1 meter breed. De gedenkplaat is circa 1 meter 20 hoog en 1 meter 50 breed.

Symboliek
Het verhaal van St.Joris en de draak is een vroegchristelijke legende uit de vijfde eeuw. Sinds de elfde eeuw staat deze vertelling symbool voor de strijd tussen goed en kwaad. Het reliëf staat symbool voor het verzet. St.Joris in krijgskledij strijdt met vlag en kruis voor het herwinnen van de nationale vrijheid, gesymboliseerd door een vredesduif. Aan zijn voeten ligt een draak, waarmee de overwinning op de bezetter wordt uitgebeeld.

De onderzoekers en hun bronnen
Paul Disco, Mart de Graaf, Pierre Schrijen en Theo Treuen hebben onderzoek gedaan naar de verzetsstrijders Paul Leclou en Theo Treuen die op het monument worden genoemd. Theo Treuen heeft de originele brieven die zijn gelijknamige oom als afscheid heeft geschreven en de foto's en het bidprentje van zijn oom beschikbaar gesteld.

De gegevens van Leo Penders komen van Wikipedia en van passages uit het boekwerk "Bericht aan Hare Majesteit" van Rosalie Sprooten.
Het laatst genoemde boekwerk geeft een goed inzicht in de gebeurtenissen die later bekend staat als de "Klap van Wittem".
Het boek van Rosalie Sprooten kunt u online lezen of als e-book downloaden bij de
Digitale bibliotheek voor de Nederlandse Letteren
  • Pierre Schrijen, wiens vader gelijktijdig is opgepakt door de Duitsers,
  • Mart de Graaf, wiens oom Jacques een broer is van Paul Leclou, die via de concentratiekampen Natzweiler, Dachau, Gross-Rosen uiteindelijk in kamp Nordhausen is terechtgekomen,
  • Theo Treuen een volle neef, oomzegger van de gelijknamige Theo Treuen die is opgepakt en
  • Paul Disco wiens ouders een huis huurde en later kochten van de vader van Paul Leclou, de onderwijzer Jan Theodoor Leclou.
Zij hebben samen geprobeerd om de geschiedenis van deze verzetsmensen in beeld te brengen. In dit stuk beperken zij zich tot de drie verzetsmensen, Leo Penders, Paul Leclou en Theo Treuen.
Daarbij hebben ze gebruik gemaakt van het proefschrift van Alfred P.M. Cammaert uit Swalmen over de geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg. Deze Dr. thesis uit 1994: "Het Verborgen Front" behandelt het verzet in Limburg tijdens de tweede wereldoorlog. Het is een zeer overzichtelijke uitgebreide thesis, waarin het verzet tegen de Duitse bezetter, de georganiseerde hulp aan piloten, joden, onderduikers, verspreiding van "illegale" literatuur, koerier diensten en het morele verzet vanuit de katholieke kerk worden besproken.
De thesis is te vinden op de website van de Rijks Universiteit Groningen, www.irs.ub.rug.nl.
Op chapter 2, blz 107 e.v. van deze thesis staat de "Groep Smit" uit Heerlen beschreven met o.a de activiteiten van de scholieren P. Leclou, A. Raemackers en A. Baeten uit Voerendaal.
Op chapter 6-1, blz 502 e.v. van deze thesis staat de betrokkenheid van Leo Penders beschreven.

Leo Penders

(foto: Heemkunde Galopia Gulpen)


Leo Maria Hendricus Penders
(Voerendaal, 1 juli 1914 - Bergen-Belsen, 24 april 1945),
was een Nederlands kapelaan en verzetsstrijder.
Leo Penders was de zoon van het hoofd der school van Voerendaal P.H. Penders. Hij werd tot priester gewijd op het groot seminarie te Roermond op 2 april 1938. Zijn eerste Heilige mis droeg hij op op eerste paasdag 1938 in de St. Laurentiuskerk te Voerendaal. Op 14 augustus 1939 werd hij benoemd tot kapelaan te Gulpen.
Leo Penders was een van de oprichters van de verzetsafdeling LO (Landelijke Organisatie) Gulpen en hield zich bezig met diverse verzetsactiviteiten zoals het onderbrengen van onderduikers en het mee onderhouden van de pilotenlijn waarmee Engelse en Amerikaanse piloten die vanuit het noorden van Nederland kwamen, doorgesluisd werden naar het vrije deel van Frankrijk.
Nadat zijn verzetsgroep door infiltratie van een Duitse provocateur die zich voordeed als een Duitse onderofficier die oorlogsmoe was en zogenaamd wilde onderduiken was verraden, werd hij op 21 juli 1944 thuis gearresteerd en naar het politiebureau van Maastricht gebracht. Met hem werden tien andere kopstukken uit het District Gulpen opgepakt als gevolg van deze actie die later bekend zou worden als "De klap van Wittem".
Van hieruit werd hij op 1 augustus overgebracht naar het concentratiekamp in Vught samen met acht andere priesters die met hem in het verzet zaten en vijf burgers uit het verzet. Op 6 september werd hij getransporteerd naar Oranienburg en gevangen gezet in het kamp Sachsenhausen. Op 5 februari 1945 werd hij vanuit Sachsenhausen naar Bergen Belsen getransporteerd. Daar overleed hij op 24 april aan tyfus. Na de oorlog ontving de familie nog een aantal preken en geestelijke overdenkingen, geschreven met potlood, op de achterkant van karton of bedrukt papier. De teksten zijn moeilijk leesbaar maar getuigen desalniettemin van een grote geestelijke kracht in een mensonterende situatie.
Op zondag 4 januari 1948 werden te Luik, in aanwezigheid van diverse wereldlijke en militaire autoriteiten, postuum onderscheidingen verleend. Het betrof de Franse onderscheiding: Médaille Commémorative Francaise de la Guerre 1939-1945 avec barette Libération, voor bijzondere hulp tijdens de Duitse bezetting aan Franse krijgsgevangenen die wisten te ontvluchten uit Duitse gevangenschap. Ook Leo Penders ontving postuum deze onderscheiding.
Penders wordt herdacht doordat er na de oorlog het plein voor de kerk in Gulpen naar hem is vernoemd, het Kapelaan Pendersplein en hij wordt vermeld op het herdenkingsmonument in Voerendaal bij de St. Laurentiuskerk.

Paul Leclou

Paul Leclou was de oudste zoon van de schoolmeester Jan Theodoor Leclou en Fenna Gezina Catharina de Bruin. Hij werd geboren op 28 februari 1921 te Voerendaal. Na hem kwamen nog twee broers en een zus. Het gezin leefde op de hoek Hoolstraat Hogeweg in een groot statig pand genaamd "Huize Inter Nos". Paul werd gearresteerd op het adres Hogeweg 25 in Voerendaal, mogelijk de ouderlijke woning. Dit pand "Huize Internos" is er helaas niet meer, vermoedelijk gesloopt vanwege mijnschade.

Foto links:
De kinderen Leclou. Vlnr.: Paul ( 1921-1945), René (1922-1981), Jacques (1922-1982), Helene (1923-1991)
( foto beschikbaar gesteld door Mart de Graaf. Uit het fotoalbum van zijn tante Greet Leclou-de Graaf, echtgenote van Jacques Leclou)


Theo Treuen
Theodorus (Theo) Gerardus Johannes Peter Treuen, van beroep slager, werd geboren op 24 juli 1914 te Tegelen. Zijn ouderlijk huis stond in de Maasstraat nr. 43 te Steyl.
Hij was werkzaam als slagersknecht bij slagerij Leenders in Voerendaal. Daar werd hij opgepakt door de Duitsers.
Familie van Theo Treuen is nog steeds woonachtig in Voerendaal.


Verzetsgroep Smit
Eind 1940 vormden de oud-gymnasiasten Paul Leclou, A. Rameckers en H.H Baeten, een illegaal groepje. Zij begonnen met het verspreiden van "illegale lectuur" en foto's van het Vorstenhuis. Hun codenaam was "Oranje Phalanx". Via de dansclub waar ook Th. Treuen en P. Habets lid van waren kwam het groepje "Oranje Phalanx" in contact met de Heerlense verzetsgroep van Joseph Smit. Joseph Smit was een gewezen beroepsmilitair uit Roermond, die na de demobilisatie dienst nam bij de marechaussee in Heerlen. In het voorjaar 1941 verliet hij de marechaussee omdat hij het o.a. niet eens was met het beleid t.a.v. NSB-ers die ongestraft hun gang konden gaan. Op 19 juni 1941 trad hij als bankwerker in dienst van de mijn Oranje Nassau IV (O.N. IV) . Een aantal oud-militairen waaronder Th. Treuen en P.J. Habets uit Voerendaal voegden zich bij Smit.


Smit had veel vertrouwen in Theo Treuen en benoemde hem tot zijn plaats-vervanger. De groep "Oranje Phalanx" werd opgenomen in de "Groep Smit". Deze beperkte zich niet meer alleen tot het verspreiden van lectuur maar legde zich ook toe op het verzamelen van inlichtingen, wapens, munitie en explosieven. De groep Leclou, Rameckers en Baeten ontvreemden enkele geweren en jachtgeweren. H. Baeten bemachtigde vijf pistolen met munitie van zijn vader, politieagent Baeten. Het was de bedoeling deze t.z.t niet alleen te gebruiken bij de afrekening met NSB-ers, maar ook om aanslagen te plegen op Duitse munitietreinen en openlijk de bezetter aan te vallen. Een serieuze sabotagepoging betrof een spoorwegviaduct tussen Heerlen en Klimmen. Op dit traject passeerden veel treinen met Duits militair materiaal. Tot uitvoering van deze aanslag is het niet meer gekomen. In de vroege ochtend van 2 februari 1942 hield de voltallige Sicherheitspolizei ( S.I.P.O.) een klopjacht op alle haar bekende leden van de Groep Smit. Een dertigtal leden werden gearresteerd. De leider van de SIPO, de Duitser Nitsch, had reeds sinds oktober/november 1941 de "Groep Smit" in het vizier. De meeste informatie kreeg Nitsch van ene H. Thelen, Nederlander, oud militair en zoon van Duitse ouders. Deze Thelen was aanvankelijk lid van de Groep Smit en werkte zeer goed mee aan diverse acties ondernomen door de verzetsgroep. Uiteindelijk bleek het deze Thelen te zijn die de Groep Smit heeft overgeleverd aan de Duitse bezetter.

De arrestatie van Paul Leclou, Theo Treuen, A. Rameckers en anderen.
Op 2 februari 1942 werden Theo Treuen, Paul Leclou, A. Rameckers en anderen gearresteerd.

Aanvulling van Pierre Schrijen; mijn vader, Salvius Schrijen, was indertijd koster-organist in Voerendaal. Toen hij 's ochtendsvroeg een kop koffie ging drinken bij slager Leenders, waar hij vroeger in de kost was geweest, trof hij in de keuken een groep gewapende Duitsers aan, die de slagersknecht Theo Treuen gevangen hadden genomen. Theo, vader Schrijen, Paul Leclou, A. Rameckers en enkel anderen werden in een vrachtwagen geladen en afgevoerd. Een Duitser vroeg aan vader Schrijen zijn paspoort en hoeveel kinderen hij had. Toen hij hoorde dat vader Schrijen 5 kinderen had, mocht hij uit de vrachtwagen en is vanaf de Heerlerbaan naar Voerendaal teruggelopen. Steeds als vader Schrijen dit verhaal vertelde zei hij; "ik zou willen dat ik deze Duitser nog eens tegen kwam".
Het is de herinnering van Pierre's vader die is overgedragen op zijn zoon. In werkelijkheid is Paul Leclou bij zijn ouders thuis opgepakt en Theo Treuen werd opgepakt op het kerkplein op weg naar de kerk.
De foto van Theo Treuen hier beneden is genomen enkele ogenblikken voor zijn arrestatie.

Paul, Theo en alle andere gearresteerden zijn overgebracht naar het Huis van Bewaring in Maastricht. Ook Thelen werd gearresteerd en opgesloten in de cel van Smit. Omdat niemand van de Groep Smit op dat moment Thelen van verraad verdacht, heeft deze nog meer informatie los gekregen. Na enige tijd schepte Theo Treuen wel enig verdenking, maar er is door de verhoren en mishandelingen toch nog meer informatie vrijgekomen en werden omstreeks 17 februari 1942 nogmaals acht personen aangehouden. Op 16 juli 1942 werden door het "Feldgericht" in Amsterdam Joseph Smit en Theo Treuen ter dood veroordeeld. Negentien medewerkers kregen levenslang of langdurige tuchthuisstraffen, waaronder Thelen. Het vonnis tegen Joseph Smit en Theo Treuen werd op 17 September 1942 in Amsterdam voltrokken. De negentien medewerkers verdwenen naar Duitse concentratiekampen. Negen van hen kwamen om het leven, waaronder Paul Leclou.

Theo Treuen schreef drie afscheidsbrieven naar zijn familie en vrienden. Een van zijn brieven luidt:

    Amsterdam, 17 september 1942.

    Dag allemaal,

    Vandaag is de beslissing gevallen. Alle moeiten en zorg is blijkbaar tevergeefsch geweest. Het heeft niet anders mogen zijn. Ik hoop dat God jullie de kracht geeft om dit alles te dragen. Als goede en degelijke Katholieken zal 't U allen niet moeilijk vallen om dit offer met Gods hulp te dragen. Al Uw gebeden zullen in elk geval niet te vergeefsch geweest zijn en zullen U en ik er uiteindelijk toch de voordeelen van genieten. Gods wil is het dat ik vandaag om 4 uur n.m. mijn leven geef. Aan het nut van mijn offer twijfel ik geen ogenblik. Dit is mijn grootste troost. Vergeefs is het nooit, ook Uw offer en uw lijden zal ook bijdragen aan den goeden afloop van deze bezoeking. Ik vertrouw ten volle dat God U allen de kracht zal geven om dit offer in volle overgave aan Gods Heiligen Wil te dragen. Dadelijk wordt ik in de gelegenheid gesteld om te biechten en communiceren. Daarna zal 't me nog makkelijker vallen om te scheiden van alles wat ons aan dit leven nog kan hechten. Ik dank God dat hij mij heeft uitverkoren om voor jullie zaak mijn leven te geven. Ik vertrouw er op dat U allen er ook zoo zult denken en eindig ook met de hoop op een weerzien hier boven.

    Als steeds een U liefhebbende oom en broer,
                                                                                           Theo


Klik hierbeneden voor de originele afscheidsbrieven van Theo Treuen geschreven op de dag van zijn executie: Brief 1, Brief 2, Brief 3,
foto: Theo Treuen met zijn schoonzus Tiny Smeets

In juli 1982 is door medegevangene
A. Rameckers (Voerendaal) een gedetailleerde beschrijving gemaakt van de gebeurtenissen in de periode 1940-1945. Deze brief diende als bijlage voor de aanvraag van het Verzetsherdenkingskruis. (archief Paul Leclou Eindhoven)
(klik hier voor de brief)

Paul Leclou is overleden op 29 april 1945 in kamp Dora-Mittelbau bij Nordhausen in het Harzgebergte. Bij dit complex waren enorme gangenstelsels gegraven ten behoeve van de productie van de V1 en V2 bommen. (lees het verslag in de rechterkolom) Vanaf begin april 1945 worden door de komst van de geallieerden zeven zogenaamde "dodenmarsen" georganiseerd om de gevangen naar elders te verplaatsen.

De Amerikaanse troepen doen pas op 11 april 1945 hun intrede in Nordhausen, dat bijna volledig vernield was. Zij begeven zich vervolgens naar Dora, waar ongeveer 600 onvervoerbare zieken in de steek gelaten waren. Paul was dusdanig verzwakt dat hij enkele weken later is overleden. Hij werd tijdelijk begraven in de buurt van Nordhausen.


Thelen die zich ook in de kampen gehaat maakte, overleefde de oorlog wel, maar bleef voor de Nederlandse Justitie onvindbaar. Naar verluidt is Thelen gevlucht naar Frankrijk en heeft daar dienst genomen in het "Vreemdelingenlegioen".

A. Rameckers en H. Baeten werden veroordeeld tot tuchthuisstraf en opsluiting in kampen. Zij overleefden de concentratiekampen en werden bevrijd. Vrijgekomen wegens gebrek aan bewijs: Harrie Treuen (broer van Theo), Jacques Leclou (broer van Paul), René Leclou (broer van Paul), F. Rameckers, H. Janssen, en P.J. Habets.
(Voor een lijst van alle gearresteerden ,hun woonplaats, beroep en veroordeling, zie bijlage V uit het proefschrift van Dr. A. Cammaert)

Een geringe organisatiegraad en verraad hebben geleid tot de arrestatie en dood van deze verzetsstrijders. Zij hebben echter de moed en moraal gehad om reeds vroeg tegen de Duitse bezetter in opstand te komen. Deze voorbeeldfunctie heeft zeker een basis gelegd voor latere verzetsstrijders. Laat hun gedrag, verzet en lijden ook nu nog een blijvende herinnering en waarschuwing zijn om de kostbare vrede niet te verliezen.


klik op het prentje voor een vergroting.






Postum eerbetoon

Het nationaal comité Verzetsherdenkingskruis kende dit eerbetoon postum toe aan Paul Leclou op 4 oktober 1982.
Aan de aanvraag ging een procedure vooraf waarbij A. Rameckers door middel van de brief die hij naar het comité stuurde, de aanvraag ondersteunde. (klik hier voor de brief)


   klik op de afbeelding voor een vergroting.


Het Verzetsherdenkingskruis dat postum aan Paul Leclou is toegekend.

Op het kruis:
Op de verticale as een gekroond vlammend zwaard als zinnenbeeld van slagvaardigheid van het gewapend verzet als het vuur van het geestelijk verzet met aan de voet de oorlogsperiode 1940-1945.
Op de horizontale as de tekst: De tyranny verdryven; ontleend aan het zesde couplet van het Wilhelmus.


(uit het archief van Paul Leclou Eindhoven)
Ook A. Rameckers die de brief aandroeg als ondersteuning voor de aanvraag van het Verzetsherdenkingskruis is drager van dit ereteken.

Het Verzetsherdenkingskruis is geen koninklijke onderscheiding, maar een nationale die werd ingesteld bij Koninklijk Besluit (nr. 104) op 19 december 1980 ter gelegenheid van de 35ste herdenking van de bevrijding. Het Verzetsherdenkingskruis is niet hetzelfde als het Verzetskruis. De onderscheiding is bestemd voor deelnemers aan het verzet tegen de bezetters van Nederlands grondgebied in de Tweede Wereldoorlog.
De instelling van deze onderscheiding was controversieel. Enerzijds waren er rechthebbenden die het niet aanvroegen vanwege 'te weinig, te laat'. Anderzijds waren er ook die het wel aanvroegen, maar niet toegekend kregen vanwege gebrek aan bewijs van hun (vermeende) verzetsdaden. In totaal hebben 15.300 mensen het kruis aangevraagd, aan 15.000 van hen is het kruis toegekend.

Een gedenksteen voor Theo Treuen

Nitsch

Richard Heinrich Nitsch (47 jaar) was een Duits sergeant-majoor die deel uitmaakte van de SD (Sicherheits Dienst) te Maastricht.
Van 24 moorden werden hem er tien ten laste gelegd en bewezen verklaard. Onder zijn leiding groeide de marteling van arrestanten uit tot een wetenschappelijke methode. Collega's noemden hem de Der Kopfjäger, de koppensneller van Maastricht. Hij pleegde minstens tien moorden, waarbij hij zonder pardon mensen een kogel door het hoofd joeg in het bijzijn van kleine kinderen. Nitsch liet zich kennen als een eersteklas sadist, met als voornaamste hobby het dagenlang verhoren van mensen onder continue afranselingen.
Er is veel bekend over Nitsch, en over de woeste manier waarop hij mensen kon verhoren. Een secretaresse moest er steeds bij blijven en aantekeningen maken. Irmgard Stockebrand heette ze, en ze heeft er na de oorlog uitvoerig over getuigd. Ze was ontdaan over de manier waarop Nitsch kapelaan Berix had afgetuigd, gemarteld zelfs, twee dagen lang, met een gummiknuppel.
Ruim een jaar lang na de oorlog, had Nitsch zijn identiteit verborgen kunnen houden. Na de bevrijding van Zuid-Limburg waren de SD'ers naar Venlo uitgeweken. Via Sneek kwamen zij in Haarlem terecht en op de dag van de capitulatie bevonden zij zich in IJmuiden. In parachutistenuniform meldden zij zich bij de Canadezen. In het Duitse krijgsgevangenkamp te Esterwegen werd Nitsch, eind juni 1946, ontmaskerd. Op verzoek van de waarnemend commissaris van politie van Venlo, hoofdinspecteur H.A. Wierks, werd hij op transport naar Nederland gesteld. Wierks haalde hem zelf in Ford Honswijk af. Op het politiebureau van Venlo werd Nitsch ingesloten.

Nog vóór het nieuws wereldkundig werd gemaakt, informeerde hoofdinspecteur Wierks collega's van andere korpsen in Limburg over de inbewaringstelling. Inspecteur Merkus van de gemeentepolitie Heerlen vroeg Wierks om aan Nitsch de vraag voor te leggen of de drie mijnwerkers, die op 2 mei 1943 zouden zijn terechtgesteld, inderdaad waren gedood, en zo ja, waar zij waren begraven. Tot dan was dat volstrekt onbekend. Nitsch bevestigde dat er doodvonissen waren voltrokken. Hij was er zelf bij toen zeven mannen werden gefusilleerd. Hij handelde in opdracht van Max Strobel en was zich van geen kwaad bewust.
Hij is in 1948 door het Bijzonder Gerechtshof te Den Bosch tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld voor meervoudige moord en -mishandeling op verzetsmensen in Limburg. Hij werd in 1960 (na 12 jaar gevangenisstraf) als 'ongewenst vreemdeling' over de grens gezet met West-Duitsland.


Kamp Mittelbau-Dora


Ingang gangenstelsel

Mittelbau-Dora, was een naziconcentratiekamp dat in augustus 1943 in gebruik werd genomen nabij Nordhausen, ten zuiden van het Harz-gebergte, waar ook al het concentratiekamp Buchenwald lag. Het gehele Mittelbau-Doracomplex omvatte uiteindelijk circa 40 subkampjes. Het belangrijkste doel van het kamp was niet het uitroeien van de gevangenen, maar het inzetten van gevangenen als goedkope arbeidskrachten in de wapenindustrie, voornamelijk in de productie van V1's en V2's.
In de nacht van 17 op 18 augustus 1943, was er een bombardement van de geallieerden op Peenemünde waarbij het proefstation voor de ontwikkeling van raketwapens werd getroffen. Hierop werd besloten de productie van raketten te verplaatsen naar ondergrondse fabrieken. In de berg Kohnstein nabij Nordhausen was door de ontginning van anhydrietgesteente al een uitgebreid gangensysteem ontstaan. Concentratiekampgevangenen moesten de mijngangen vergroten en verbouwen tot een rakettenfabriek, het zogenaamde "Mittelwerk" dat onder leiding stond van Arthur Rudolph. Vanaf januari 1944 werden in dit bedrijf de door Joseph Goebbels aangekondigde vergeldingswapens (V-wapens) gemaakt.
Toen in 1943 de nederlaag van het Duitse Rijk zich steeds duidelijker begon af te tekenen, werkten het ministerie van bewapening en de SS nauw samen om alle beschikbare arbeidskrachten voor de totale oorlog te mobiliseren. Daaronder vielen ook concentratiekampgevangenen en dwangarbeiders. Om de bouwwerkzaamheden te kunnen uitvoeren, deporteerde de SS, mensen uit talrijke landen die door de Duitsers bezet waren. Deze dwangarbeiders werden, dag en nacht, in de mijngangen opgesloten. Velen van hen stierven al na een paar weken vanwege de verschrikkelijke werk- en leefcondities. In het voorjaar van 1944 werd een bovengronds barakkenkamp gebouwd.
Op het (geschatte) totaal van 60.000 gevangenen in Mittelbau-Dora werden er 12.000 doden geteld door de nazi's, maar het ware aantal slachtoffers wordt op ten minste 20.000 geschat. Daarbij worden ook de luchtaanvallen en de dodenmarsen (1945), de evacuatie van het kamp, geteld.
Door de oprukkende geallieerden zagen de nazi's zich genoodzaakt om gevangenen te verplaatsen naar andere centraal gelegen kampen. De gevangenen die nog konden lopen werden in zogenaamde dodenmarsen verplaatst. De anderen die te ziek of te zwak waren werden ter plekke vermoord en het kamp werd in brand gestoken. Ook kamp Dora werd verlaten maar in de haast lieten ze hier ongeveer 600 gevangen achter terwijl de bewakers hun uniformen afgooiden en op de vlucht sloegen. Van deze 600 gevangen zijn er die de verschrikkingen hebben overleefd. Paul heeft de bevrijding door de Amerikanen wel nog meegemaakt maar stierf uiteindelijk twee weken later aan ziekte en uitputting.
Lees en bekijk ook het aangrijpende verslag van twee ex-gevangen van dit kamp in het NPO programma "Andere Tijden"