Kasteel Haeren



Kasteel Haeren is één van de vijf kastelen van de gemeente Voerendaal. Het wordt al vermeld in 1296. Het is een kasteel met vier vleugels om een binnenplein. De voorvleugel vormt het kasteel zelf en kijkt uit op een drooggevallen slotgracht. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werd het gerestaureerd. Het kasteel is nu opgedeeld in appartementen die particulier bewoond worden, en het is daarmee niet toegankelijk voor bezichtiging. Wel kan men rondwandelen over het opengestelde landgoed en het bos dat bij kasteel Haeren hoort.

De familie van Haeren was een aanzienlijke familie, die in de 13e eeuw te Maastricht vooral bestuurlijke functies bekleedde.
De eerste vermelding in de archieven over het bestaan van dit kasteel dateren van 1296 waar het als eigendom van Ogier van Haren wordt genoemd. Het goed Haeren was een riddergoed dat behoorde tot het leen van Wijnandsrade. Het feit dat grondgebied met kasteel een Riddergoed werd genoemd betekende dat de leenman van het kasteel diegene, mits van adel, mocht deelnemen aan de landsvergadering van het Land van Valkenburg. Het goed werd verheven in de Keurkeulse mankamer te Heerlen dat gezeteld was in het Manshuis. De prijs ervoor was twee fluwelen beurzen, de een gevuld met goud en de andere met zilver. Via overerving en huwelijkssluitingen komt het kasteel in handen van het geslacht van Hoen tzu Broech. In 1671 huwde de dochter van Daniël van Hoen tzo Broeck met Karel, baron de Haudion de Cybereby. Het kasteel kwam op deze manier in handen van het geslacht Haeren.


Het wapen van de familie Van Panhuys, in de spits boven de poort
De luiken eronder zijn geschilderd in de kleuren die bij het familiewapen horen.

In de 18e eeuw werd het meerdere malen doorverkocht aan particulieren. In 1742 werd het kasteel grotendeels door brand verwoest, maar daarna weer opgebouwd. Rond 1770 is de herbouw voltooid. In dat jaar kocht Willem Hendrik van Panhuys het aan. Vanaf dat moment is hij Heer van Haeren. Zijn zoon was Jonkheer mr Johan Cornelis van Panhuys, heer van Haeren, Bongert en Dammerscheidt. Zijn kleinzoon was Jonkheer Eugène François Auguste van Panhuys, heer van Haeren. Zowel Johan Cornelis als Eugène stierven op kasteel Haeren te Voerendaal. In 1882 werd het landgoed door diens kinderen verkocht aan de Maastrichtse advocaat Jean Mathieu Eugène van Oppen, wiens familie het lang in bezit hield, maar er zelf nauwelijks, buiten de zomerperiode, verbleef.
Haeren was niet het enige bezit van de familie Van Panhuys. In Voerendaal was zij bijvoorbeeld sinds 1770 ook eigenaar van de hoeve Lindelauf. In 1786 verwierf ze de hoeve Ten Hove en in 1810 de resten van het vervallen kasteel Dammerscheid.

Grachten
Kasteel Haeren was omsloten door een dubbele gracht. De eerste gracht omgaf het gehele carré-vormige gebouw. Niet ver daarvan verwijderd was een tweede gracht die nog eens drie vleugels van het kasteel, op de voorvleugel na, omsloot. Ten zuiden van het kasteel begrensde deze gracht een geometrische tuin. De tuin, die voor het kasteel lag, was eveneens geheel door water omgeven. Tussen deze tuin en de van Terveurt komende beek lag nog een rechthoekige vijver die de 'backhuysvyver' genoemd werd. Of al deze grachten halverwege de 19e eeuw nog met water gevuld waren is onwaarschijnlijk. In de kadastrale legger wordt bijvoorbeeld bij de buitenste gracht ten westen van het kasteel vermeld 'sloot als tuin'. Het is derhalve niet ondenkbaar dat reeds in de 19e eeuw veranderingen in de waterhuishouding in en om het landgoed zijn opgetreden, die uiteindelijk mede hebben bijgedragen tot het volledig uitdrogen van de grachten in de eerste helft van de 20e eeuw. Er wordt beweert dat de mijnbouw onder het complex de natuurlijke waterhuishouding zou hebben verstoord. Door het wegpompen van overvloedig water in de mijn zou het grondwater dermate gezakt zijn dat daardoor de grachten zijn drooggevallen. Als deze bewering juist zou zijn, zou op termijn het grondwater weer stijgen en de grachten zich weer vullen. Niets wijst er echter op dat dit het geval is.

Grafkelder
Kort na het overlijden van zijn echtgenote Angela Cornelia Orizandt op 23 januari 1806 en ongeveer anderhalf jaar voor zijn eigen dood op 23 januari 1808, liet Willem Hendrik van Panhuys op een perceel van 17 are groot een grafkelder bouwen. Dit wekt enige verbazing omdat de vader van Willem Hendrik, Hendrik Aemilius van Panhuys, reeds in 1780 een familiekelder had aangekocht in de St. Janskerk te Maastricht. In deze grafkelder was in 1780 een dochtertje van Willem Hendrik begraven en in 1786 zijn moeder. Mogelijk is echter dat Willem Hendrik zo aan Haeren verknocht was dat hij er ook begraven wilde worden.
Het perceel waar de nieuwe grafkelder moest komen lag ten zuidoosten van het kasteel, was geheel omgeven door een ringsloot en grensde aan Lindelaufs Weiden. Het perceel was begroeid met bomen en lag het meest oostelijk van het landgoed. Uit de aanbesteding van dit werk op 14 maart 1806 blijkt dat het bouwwerk ongeveer 7 meter breed, 8 meter lang en 1,8o meter hoog moest worden. In deze grafkelder moesten twintig grafnissen worden gebouwd. Aan iedere lange zijde werden twee rijen van vier nissen aangebracht. De twee rijen bevonden zich boven elkaar. Deze nissen waren ongeveer 2,25 meter diep. In de achtergevel kwamen nog vier nissen. Deze waren slechts 1,5 m diep en waren waarschijnlijk bedoeld als begraafplaats voor kinderen. Alle grafnissen moesten worden afgesloten met een plaat van hardsteen. In het midden van de achtergevel werd nog een keldertje aangebracht van ongeveer 1,5 meter lang en 0,90 m breed 'dienende tot een bewaarplaats der overblijfsels'. Van Panhuys anticipeerde kennelijk al op de mogelijkheid dat ooit alle twintig nissen in gebruik zouden zijn genomen. In dat geval konden graven worden geruimd. De stoffelijke resten konden dan in het keldertje worden bewaard. De grafkelder was aan de voorkant toegankelijk via een stenen trap van vijf treden.
Onder aan de trap bevond zich een uit twee delen bestaande stenen toegangsdeur. Van boven werd de begraafplaats over de gehele lengte afgesloten door een boog gemetseld van bakstenen. Het gehele bouwwerk moest worden overdekt met klei, aarde en graszoden om het instromen van water te voorkomen. In het midden van de boog moest een luchtkanaal worden aangelegd. Dit luchtkanaal moest worden afgesloten door een stenen piëdestal met vaas. Vanaf het wandelpad is het omgrachte eiland nog te zien. De restanten van de grafkelder zijn niet meer te zien.




Meer informatie over de kastelen van Voerendaal?
Kies hier beneden het kasteel.







Klik hier en lees het volledig historisch verslag
van Frans Gerards over landgoed Haeren

Kasteel Haeren

Ook kasteel Haeren had een renaissance aangelegde tuin. De toegang tot het kasteel was vroeger via de Valkenburgerweg. Door de aanleg van de A79 moest de toegang verlegd worden. De toegang is nu vanaf de Tenelenweg en loopt door het hart van de voormalige tuin die voor het kasteel lag.


Op de bovenstaande uitsnede van een kaart uit ca. 1806 is de structuur van de aangelegde tuinen te zien.
Ook de plaats waar de grafkelder ligt is op dit kaartje te zien.




Op bovenstaande tekening is nog duidelijker te zien hoe de tuinen werden aangelegd. De toegangsweg vanaf de Valkenburgerweg wordt hier als laan afgebeeld. Uit mijn herinnering weet ik nog dat het een grindpad was met aan weerszijde kleine boompjes.


Tegenover het kasteel liep een onverharde doodlopende weg richting park waar links nog een pilaar stond en een stukje verder links stallingen voor landbouwmachines.
Rechts staat een prachtige eeuwenoude Plataan.
Nu is het in gebruik als een kleine manege
(zie foto hier beneden)






Een grafsteen staat op de binnenplaats links tegen de muur achter de poort en herinnert aan de familie Van Panhuys. Deze grafsteen stond oorspronkelijk op het oude protestantse kerkhof in Voerendaal en komt van het graf van Marie Sophie Delware de echtgenote van Willem Hendrik Johan Cornelis van Panhuys. Marie Sophie Delware overleed in 1844 te Voerendaal.